Anna Paulowna (1795 – 1865): Een Romanov in de Lage Landen.

Anna Paulowna was het achtste kind van de Russische tsaar Paul I van het huis Romanov (Paulowna betekent dochter van Paul). Haar vader was een zwakke tsaar die, toen Anna 6 jaar was, bij een militaire coup om het leven is gekomen. Anna groeide op in de uitbundige rijkdom van de Romanovs. Zij kreeg een gedegen opleiding. Ze sprak en schreef vloeiend Russisch, Frans en Duits en was ook goed in wis- en natuurkunde.

Anna was 14 jaar oud toen keizer Napoleon Bonaparte, om de banden tussen Frankrijk en Rusland aan te halen, een huwelijksaanzoek heeft gedaan. Dit is door tsaar Alexander, de broer van Anna die zijn vader was opgevolgd, afgewezen onder het voorwendsel dat zijn zusje nog te jong was. In werkelijkheid wilde hij Anna niet laten trouwen met “zo’n monster voor wie niets heilig is”. Anna zelf voelde er trouwens ook niets voor.

Dat lag anders bij kroonprins Willem van Oranje, de latere koning Willem II. Die was bevriend met tsaar Alexander en had in de slag bij Waterloo, waar Napoleon definitief was verslagen, een rol gespeeld. Na onderhandelingen over het geloof (Anna mocht Russisch-orthodox blijven, maar de kinderen zouden Nederlands Hervormd worden opgevoed) werd een huwelijk overeengekomen. Op 21 februari 1816 trouwen ze in Sint-Petersburg gevolgd door een paar maanden van feesten, parades, bals en diners (soms met meer dan duizend gasten).

In augustus komt het paar in Nederland aan. Anna neemt een heleboel mee uit Rusland. Honderd kisten met kleding, juwelen, siervoorwerpen, Russisch-orthodoxe religieuze attributen, etc. Ze  liet in ieder paleis waarin ze woonde een Russisch-orthodoxe kapel aanleggen en ze nam ook Russisch-orthodoxe priesters mee.

Het was wel wennen voor Anna. Als Romanov was zij de enorme rijkdom, pracht en praal van het Russische tsaristische hof gewend. De sobere, calvinistische levensstijl hier, stak daar enorm tegen af. Bovendien was de afstand tussen de tsaar en het volk vele malen groter dan die tussen vorst en volk in Nederland. Zij sprak bijvoorbeeld niet met mensen van niet adellijke komaf. Ook was ze gewend zich in die enorme Russische paleizen met een draagkoets van de ene naar de andere kamer te laten dragen. Die gewoonte veranderde ze in die kleine Nederlandse paleizen overigens niet.

Kortom, zij kwam in een voor haar cultureel en godsdienstig onbegrijpelijk land, waar zij zich aanvankelijk niet op haar gemak voelde en waar zij als hooghartig werd ervaren. Toch deed ze haar best om ‘in te burgeren’. Na enige tijd sprak zij bijvoorbeeld beter Nederlands dan haar echtgenoot die zich voornamelijk van het Frans bediende.

Willem II en Anna Paulowna verbleven bij voorkeur in Brussel. Daar was het leven een stuk uitbundiger met meer pracht en praal dan in het sobere noorden. Met de Belgische afscheiding kwam daaraan in 1831 een einde en woonden zij afwisselend in paleis Kneuterdijk en paleis Soestdijk. Het paar kreeg vijf kinderen: Willem, de latere koning, de vroeg overleden Alexander, Hendrik (die van onze straat en plein), Ernst Cazimir, die nog geen jaar oud is geworden en Sophie.

Anna Paulowna zette zich in voor de zwakkeren in de samenleving. Ze stichtte bijvoorbeeld tijdens de strijd met de Belgen een ziekenhuis voor gewonde militairen, het Willemshospitaal. Ze betaalde het uit haar eigen vermogen en kwam met enige regelmaat de patiënten bezoeken. Ook stichtte ze de Winternaaischool waar vrouwen en meisjes uit de armste gezinnen naaien en handwerken konden leren.

In 1849 overleed Willem II. Hij liet een enorme schuld na. Anna’s broer, tsaar Nicolaas I, schoot  te hulp door de privé kunstverzameling van de Oranjes te kopen. Daardoor zijn vele Hollandse meesters waaronder Rembrandts, nu niet in het Rijksmuseum maar in de Hermitage in Sint Petersburg te bewonderen.

Na het overlijden van Willem II, leefde Anna Paulowna een teruggetrokken leven. Ze bracht haar dagen door met borduren en bidden in een van haar Russisch-orthodoxe kapellen. In 1865 overleed zij na een kort maar hevig ziekbed. Anna Paulowna is bijgezet in de Koninklijke grafkelder in Delft.

 

René Mors